logo
© Jacqueline van Kerkhof | Dreamstime.com
© Jacqueline van Kerkhof | Dreamstime.com
25 juni 2026

Uniforme veiligheidsregels voor batterijen in 2028 van kracht, thuisbatterijen blijven uitgezonderd

De rijksoverheid wil pas per 1 januari 2028 de uniforme veiligheidsregels voor batterijen wettelijk vastleggen. De veiligheidsrichtlijnen PGS 37-1 en 37-2 worden vanaf die datum vastgelegd in de Omgevingswet.

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft dat bekendgemaakt in het consultatierapport dat gepubliceerd is naar aanleiding van de internetconsultatie van het wijzigingsbesluit.

400 ingebrachte aandachtspunten
Op de internetconsultatie over het wijzigingsbesluit kwamen 63 reacties binnen, waarvan 52 openbaar, met in totaal ruim 400 ingebrachte aandachtspunten. De consultatie liep van 17 maart tot en met 28 april.

Het wijzigingsbesluit past het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit aan. Het bevat rijksregels voor 2 categorieën. De eerste betreft energieopslagsystemen, te weten batterijen met een opslagcapaciteit van minimaal 20 kilowattuur die op vaste of tijdelijke locaties stroom opslaan, zoals buurtbatterijen en industriële grootschalige batterijen. De tweede betreft het bewaren van elektrische energiedragers: accu’s in laptops, e-bikes, e-scooters en elektrische voertuigen. Particulieren met een thuisbatterij of een elektrisch voer- of vaartuig vallen buiten het besluit.

Grotere thuisbatterijen
Het ministerie verduidelijkt dat thuisbatterijen ongeacht hun opslagcapaciteit buiten de reikwijdte van de regelgeving vallen. ‘Regulering van thuisbatterijen is passender via het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), omdat het gaat om een bouwtechnische installatie’, schrijft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in het consultatierapport. De drempel van 20 kilowattuur voor energieopslagsystemen blijft ongewijzigd, om eenduidige uitvoering te garanderen in lijn met de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 37-1 (PGS 37-1), de technische veiligheidsrichtlijn voor batterijopslagsystemen.

De reacties die tijdens de consultatie zijn ingediend, liepen over het onderwerp thuisbatterijen sterk uiteen. Zo bepleitte een omgevingsdienst dat alle thuisbatterijen alsnog onder de reikwijdte moeten vallen, terwijl een andere omgevingsdienst vond dat ze ongeacht capaciteit juist buiten de wet moeten blijven. Op hetzelfde punt verschilden exploitanten en veiligheidsregio’s van mening: exploitanten vroegen om een hogere drempelwaarde voor de vergunningplicht, veiligheidsregio’s om een lagere, zodat ze eerder formeel kunnen adviseren. ‘De reacties hebben bijgedragen aan een betere balans tussen uniformiteit en uitvoerbaarheid’, erkent het ministerie.

Meldplicht verkort naar week
De meldtermijn was een van de meest bediscussieerde onderdelen. In het oorspronkelijke voorstel gold een termijn van 4 weken voor zowel stationaire als mobiele batterijsystemen. Na de consultatie wil het ministerie de termijn voor alle systemen verkorten naar 1 week, om verwarring tussen de verschillende typen te voorkomen. Bij calamiteiten waarbij snel een mobiel systeem moet worden ingezet, geldt de verplichting zo snel mogelijk te melden.

Voor mobiele energieopslagsystemen wordt het bovendien mogelijk een werkgebied op te geven in plaats van één vaste locatie; de veiligheidsafstanden gelden dan vanaf de grens van dat gebied. Dit biedt uitkomst voor bedrijven die systemen inzetten op bouwplaatsen, bij evenementen of op infrastructuurprojecten. De termijn van 12 dagen voor mobiele systemen, die betrekking heeft op de omvang van het plaatsgebonden risico, dat wil zeggen de berekende kans op overlijden op een specifieke locatie bij een incident, wordt nader uitgewerkt in de Nota van Toelichting. De overgangsbepalingen worden opnieuw vormgegeven voor juridische helderheid, zodat onder meer de juridisch onbekende constructie van een ‘melding van rechtswege’ verdwijnt. De evaluatietermijn van het besluit zelf wordt niet aangepast, omdat bij een kortere termijn nog onvoldoende ervaring is opgedaan met de uitvoering.

Natrium ook meegenomen
In het geconsulteerde voorstel zouden alle niet-lithiumhoudende energiedragers vergunningplichtig zijn. Indieners wezen erop dat dit onevenredig is, omdat technologieën als redox-flowbatterijen, waarbij vloeibare elektrolyten de energie opslaan, en ijzer-luchtbatterijen een wezenlijk ander risicoprofiel hebben.

Het ministerie volgt dit bezwaar grotendeels. Voortaan vallen straks daarom alleen lithium- en natriumhoudende energiedragers onder het besluit. Bij beide typen staat wetenschappelijk vast dat thermische kettingreactie, een ongecontroleerde opwarming die kan leiden tot brand of explosie, kan optreden. Loodzuuraccu’s en andere typen waarbij dit gevaar niet bestaat, worden uitgezonderd. Redox-flowbatterijen vallen ook buiten de reikwijdte, omdat PGS 37-1 daar niet voor is bedoeld.

Afgedankte accu’s
De vergunningplichtgrens van 50 megawattuur voor afzonderlijke energieopslagsystemen blijft ongewijzigd. Voor combinaties van technisch verbonden systemen geldt een grens van 400 megawattuur. Bij de wettelijk voorgeschreven evaluatie wordt expliciet getoetst of de drempel van 50 megawattuur nog passend is wanneer grotere systemen op de markt komen. Detailhandelaren die afgedankte accu’s innemen van klanten, worden vrijgesteld; op andere inzamelpunten gelden de PGS 37-2-verplichtingen onverminderd. De begripsbepalingen worden aangevuld met een definitie voor ‘defecte energiedrager’, zodat toezichthouders en handhavers weten wanneer zij hiermee te maken hebben.

Brancheorganisaties uit de mobiliteitssector wezen erop dat showrooms met grote aantallen e-bikes en e-scooters de drempelwaarden van 2.500 vierkante meter of 10.000 kilogram snel overschrijden, terwijl PGS 37-2 voor publiek toegankelijke verkoopruimten niet zonder meer uitvoerbaar is. De Nota van Toelichting wordt verduidelijkt voor deze grensgevallen. Ook het onderscheid tussen ‘opslaan’ en ‘stallen’ van voertuigen wordt aangescherpt: het tijdelijk parkeren van voertuigen van werknemers op eigen afgesloten terrein valt niet onder de PGS 37-2-verplichtingen.

Veiligheidsafstanden berekenen
Veel indieners uitten eerder bezwaren over het conservatieve karakter van de vaste afstandstabellen voor energieopslagsystemen en opslagen. Die tabellen zijn gebaseerd op onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en zijn wetenschappelijk gevalideerd aan de hand van bekende incidenten. Het ministerie neemt hierover uitdrukkelijk stelling: ‘Het vastleggen van deze vaste afstanden is een beleidsmatige keuze’, verduidelijkt ze, en benadrukt dat de tabellen zijn bedoeld om elk denkbaar systeem te ondervangen dat onder PGS 37-1 valt.

Na de consultatie maakt het ministerie het alsnog mogelijk om het plaatsgebonden risico en de zogeheten aandachtsgebieden, de zones rondom een installatie waarmee ruimtelijke planners rekening moeten houden, ook te berekenen via de RIVM-rekenmethode. Dit is toegestaan ook wanneer de activiteit niet vergunningplichtig is. Voor sommige kleine stationaire systemen kan de veiligheidscontour daarmee op nul meter uitkomen. De rekenmethode wordt via een apart traject geformaliseerd in de Omgevingsregeling.

Afstandstabellen
In het geconsulteerde voorstel waren de afstandstabellen voor aandachtsgebieden voornamelijk gebaseerd op nikkel-mangaan-kobaltbatterijen (nmc). De tabellen worden uitgebreid met vaste afstanden voor lithium-ijzerfosfaatbatterijen (lfp). Hoewel deze batterijen gemiddeld een hogere drempeltemperatuur hebben voor thermische kettingreactie, zijn de gevolgen bij brand volgens het ministerie grootschaliger door de vrijkomende stikstofdioxide. Het bevoegde gezag maakt daarom bij de vergunningverlening een afweging in het omgevingsplan.

Bedrijven die alternatieve maatregelen toepassen die aantoonbaar even veilig zijn als de PGS-voorschriften, mogen dit melden zonder voorafgaande goedkeuring; het bevoegde gezag behoudt een handhavingsoptie.

Regels gelden per 2028
De verwijzingen naar PGS 37-1 en PGS 37-2 verlopen via de Omgevingsregeling, die via een apart traject wordt aangepast. Hierdoor kunnen toekomstige versies van beide richtlijnen in werking treden zonder dat het wijzigingsbesluit zelf moet worden gewijzigd.

Op 28 oktober organiseert het ministerie nog een congres over de consultatieresultaten. Aanvullend wordt een handreiking opgesteld voor initiatiefnemers en bevoegde gezagen. Het ontwerpbesluit gaat daarna via de voorhangprocedure naar zowel de Eerste als Tweede Kamer; vervolgens brengt de Afdeling advisering van de Raad van State advies uit. De beoogde inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit en de bijbehorende Omgevingsregeling is 1 januari 2028, waar dat aanvankelijk nog 1 januari 2027 was.

Deel dit artikel:

Nieuwsbrief

Meld u aan voor de nieuwsbrief met het laatste nieuws!
Ja, ik wil de nieuwsbrief ontvangen en heb de privacy policy gelezen.

Laatste Nieuws

Bekijk al het nieuws

Meest gelezen

Producten