
Dat blijkt uit een nieuw rapport van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en kennisinstelling TNO. Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het kennisprogramma Energietransitie Integraal Kostenbeeld.
Elektrificatie als ruggengraat
Het rapport brengt voor het eerst bestaande kennis samen over de kosten van de energietransitie. Grootschalige elektrificatie vormt in vrijwel alle scenario’s de ruggengraat van het toekomstige energiesysteem. Zelfs zonder aanvullende klimaatdoelen neemt het aandeel hernieuwbare elektriciteit toe. Elektrificatie is volgens de onderzoekers energetisch efficiënt en vermijdt conversieverliezen die optreden bij de productie en inzet van waterstof of synthetische brandstoffen.
Energiebesparing blijkt in alle scenario’s een noodzakelijke component. Hoewel besparingsmaatregelen niet altijd de laagste marginale kosten kennen, zijn zij cruciaal voor het systeem als geheel. Hernieuwbare potenties zijn fysiek begrensd door ruimte, netcapaciteit en beschikbaarheid van duurzame bronnen. Besparing vermindert de druk op ruimtegebruik, infrastructuur en importstromen en vergroot daarmee de robuustheid van het systeem.
Van brandstof naar kapitaal
Het energiesysteem verschuift volgens het rapport van een systeem gedreven door brandstofuitgaven naar een systeem waarin kapitaalinvesteringen dominant worden. Het aandeel van fossiele import in de totale systeemkosten daalt in klimaatneutrale scenario’s van meer dan de helft nu naar circa 0 tot 9 procent in 2050. Tegelijkertijd groeit het relatieve gewicht van de elektriciteitsketen substantieel. Het aandeel van elektriciteitsproductie en -levering verdubbelt grofweg.
Binnen die keten neemt vooral de elektriciteitsinfrastructuur sterk in betekenis toe. Waar netten en infrastructuur rond 2030 nog een beperkt aandeel van de totale nationale energiekosten vertegenwoordigen, loopt dit richting 2050 op tot ongeveer 15 procent. Ook aan de vraagzijde verschuift het zwaartepunt, doordat investeringen in isolatie, warmtepompen en elektrisch vervoer sterk toenemen.
Grote investeringen vereist
De meest zichtbare consequentie is de omvang van de investeringsopgave. Ten opzichte van het historische investeringsniveau in afgelopen decennia laten de scenario’s een structurele toename zien met een factor 2 tot 3. Richting 2030 en daarna blijven de jaarlijkse investeringen substantieel hoger dan historisch gebruikelijk. Het grootste deel, circa 80 tot 90 procent, van deze investeringen concentreert zich op 2 plaatsen: de elektriciteitsketen en het eindgebruik.
Cijfers van de recente historie laten zien dat de beweging naar een hoger investeringsniveau al is ingezet. De totale energiegerelateerde investeringen lagen in 2023 circa 60 procent hoger dan in 2019. Vooral investeringen van huishoudens in zonnepanelen, warmtepompen en elektrische mobiliteit zijn sterk toegenomen.
Gemiddeld stabiel maar ongelijk
Voor huishoudens bestaan de energiekosten hoofdzakelijk uit 2 componenten: verwarming van de woning en personenmobiliteit. In de meeste scenario’s blijven de totale energiekosten per huishouden over de tijd bezien grosso modo stabiel. Voor ruimteverwarming varieert het beeld beperkt, lichte stijging of daling afhankelijk van het pad, terwijl de kosten voor personenmobiliteit in veel gevallen dalen door elektrificatie.
Het gemiddelde beeld verhult echter aanzienlijke verschillen tussen huishoudens. De energietransitie werkt ongelijk uit. Huishoudens met investeringsruimte en een geschikte woning kunnen profiteren van lagere variabele kosten, terwijl huishoudens met beperkte middelen of een slecht geïsoleerde woning langer afhankelijk blijven van aardgas en relatief hogere lasten dragen. Onderzoek naar energiearmoede laat zien dat juist deze groepen kwetsbaar zijn voor prijsstijgingen.
Bedrijven sterk verschillend
De impact van de energietransitie gaat sterk verschillen tussen bedrijven, zelfs binnen dezelfde sector. Bedrijven die hun processen kunnen elektrificeren of direct gebruik kunnen maken van hernieuwbare energie zullen naar verwachting dure alternatieven kunnen vermijden. Sectoren die afhankelijk blijven van koolstof als grondstof, zoals delen van transport, brandstofproductie en de chemische industrie, krijgen juist te maken met hogere kosten door de inzet van relatief dure duurzame koolstofbronnen.
Ook bedrijfskundig zijn er grote verschillen: hoe groot is het aandeel van energie in de totale kosten, in hoeverre kan een hogere energierekening worden doorberekend aan klanten, en wat betekent dit voor de concurrentiepositie? Bedrijven met hoge energie-intensiteit en krappe marges zijn kwetsbaarder voor zowel prijsschommelingen als transitiekosten, terwijl andere bedrijven deze lasten gemakkelijker kunnen opvangen.
Overheidsfinanciën onder druk
De energietransitie zal de verhouding tussen inkomsten en uitgaven van de overheid bij ongewijzigd beleid naar verwachting veranderen. Door elektrificatie en de afname van fossiel energiegebruik eroderen de belastinggrondslagen voor brandstofaccijnzen en energiebelastingen. Een deel van de terugval kan aanvankelijk worden gecompenseerd door hogere inkomsten uit het emissiehandelssysteem. Op langere termijn dalen de jaarlijkse inkomsten uit energiebelastingen echter geleidelijk tot een niveau dat 7 tot 10 miljard euro per jaar lager ligt dan nu.
Tegelijkertijd kan de behoefte aan publieke ondersteuning voor nieuwe energietechnologieën aanzienlijk blijven. Indicatieve verkenningen suggereren dat de benodigde subsidiebehoefte op termijn eveneens in de orde van grootte van circa 10 miljard euro per jaar kan liggen.
De mei 2026-editie van Solar & Storage Magazine is uit. Het tijdschrift kent artikelen over Intersolar Europe, dubbele energiebelasting bij thuisbatterijen, recycling van batterijen en het Nationaal EMS Programma.