
Opstelten is al jarenlang actief rondom de verduurzaming van de gebouwde omgeving; tot mei vorig jaar onder andere als directeur van Stroomversnelling, bekend van het nul-op-de-meter concept. Momenteel werkt hij onder andere als senior expert bij Verbouwstromen, een door de overheid gefinancierd programma dat hij vanuit Stroomversnelling samen met TKI Urban Energy, Bouw en Techniek en de Bouwcampus heeft opgezet.
Grootste uitdagingen
‘Mijn missie is altijd dezelfde’, aldus Opstelten. ‘Het versnellen van de energietransitie. De kernopgave van Verbouwstromen is seriematige renovatie van de bestaande woningvoorraad mogelijk maken, met kostenreductie en tempoverhoging als resultaat. En daarbuiten werk ik aan een nieuwe methodiek voor huur- en servicekosten. De split incentive, onbalans tussen opgave en middelen, is één van de grootste uitdagingen voor de huursector, die zo spoedig mogelijk opgelost moet worden.’
De dupe
Opstelten vergelijkt de huidige lappendeken aan regelingen met een lekke band die telkens opnieuw wordt geplakt, terwijl echte vervanging nodig is. Concreet: de harde huurgrenzen die corporaties moeten hanteren bij de toewijzing houden geen enkele rekening met de energieprestatie van de woning. Investeringen kunnen daarom niet of heel beperkt worden doorberekend in de huur. ‘Een ander – tegenovergesteld – mechanisme is dat er veel te veel woningwaarderingspunten aan energielabelstappen worden toegekend. Dat leidt tot heel veel meer huur dan de gebruiker voordeel ziet op zijn energierekening. En tot meer huurtoeslag, waar de samenleving in de breedte voor opdraait. Die omgekeerde split incentive komt vooral voor bij de commerciële verhuurders en bij corporatiewoningen in het middensegment.’
Technische beperking
Ongeveer een derde van het corporatiebezit bestaat uit laagbouw, de rest uit gestapelde woningen, waarvan een aanzienlijk deel hoger is dan 4 verdiepingen. Met name in die laatste categorie is verduurzaming lastig, aldus Opstelten. ‘In de begintijd van nul-op-de-meter lag de focus vrijwel volledig op laagbouw, om een simpele reden Hoe hoger een gebouw, hoe meer woningen er onder hetzelfde dakoppervlak vallen en dus hoe minder ruimte per woning overblijft voor zonnepanelen. We hebben het dus over een technische beperking.’ Hoogbouw heeft volgens hem echter ook een voordeel: door de compactheid van het gebouw is de energievraag voor verwarming en koeling per woning relatief lager dan bij laagbouw.
Koelvraag
Opstelten: ‘Dat gebrek aan opwekcapaciteit maakt een goede warmteschil bij hoogbouw des te belangrijker, maar ook dat is lastiger dan bij laagbouw. Buitengevelisolatie is technisch de beste keuze om koudebruggen en vochtproblemen te voorkomen, maar bij hoogbouw moeilijker uit te voeren dan bij een rijtjeshuis. Aan de binnenkant werken kost vierkante meters in gebouwen die daar toch al weinig van hebben. Een goed sluitende schil, zonder zonwering en passieve en/of actieve koeling, brengt bovendien het risico op oververhitting met zich mee, waardoor het beperken van de koelvraag minstens zo belangrijk is.’
Windenergie
Er is in Nederland geëxperimenteerd met volledig energieneutrale hoogbouw. Opstelten noemt het Inside Out-project, waarin woningcorporatie Bo-Ex, Hogeschool Utrecht, Universiteit Utrecht en een consortium van bedrijven aan een renovatieconcept voor de sociale huurflat aan de Henriëttedreef in Utrecht werkten. Door zonnepanelen te combineren met gebouwgebonden windenergie en prefab-gevelelementen werd aangetoond dat een flat van 10 verdiepingen energieleverend kon worden. De techniek werkte, maar een grootschalig vervolg bleef uit doordat de businesscase vooralsnog onvoldoende rendabel bleek. Wel heeft het opschaalbare modules voor de installatietechniek bij hoogbouw opgeleverd.
Seriematige renovatie
Volgens Opstelten laat dat zien dat technisch veel mogelijk is; de crux zit in de manier waarop verduurzaming wordt aangevlogen. Veel flats dateren uit de jaren ‘60 en ‘70, toen tijdens de woningnood op grote schaal met gestandaardiseerde bouwmethoden werd gewerkt. Daardoor komen dezelfde bouwtypen, zoals de Era-flat of het Coignet-systeem, op tal van plaatsen in Nederland terug. Dat maakt ze bij uitstek geschikt voor seriematige renovatie, waarbij voor vergelijkbare gebouwen steeds dezelfde verduurzamingsconcepten kunnen worden toegepast.
Optimaal presteren
Succesvolle verduurzaming van hoogbouw start altijd met een forse beperking van de energievraag, benadrukt Opstelten Goede isolatie vormt de basis, waarna per combinatie van gebouwtype en beschikbare energie-infrastructuur, wordt gekeken welke combinatie van installatietechnieken het beste past. Dat kan een warmtenet zijn, maar ook een warmtepomp of een combinatie van verschillende duurzame warmte- en energiesystemen. Welke oplossing het meest geschikt is, hangt af van de lokale situatie en beschikbare bronnen. Juist door maatregelen als één integraal pakket passend bij gebouw- en gebiedstypologie te benaderen, kunnen gebouwen optimaal presteren en blijven onnodige her- of desinvesteringen achterwege.
Niet vanzelf
Opstelten: ‘We zijn nog steeds project voor project aan het aanbesteden, waarbij telkens weer 5, 6 of misschien wel 10 partijen opnieuw een oplossing bedenken. Daarmee gaan we de wedstrijd niet winnen. De toekomst ligt in gestandaardiseerde productmarktcombinaties: beproefde verduurzamingsconcepten die op grote schaal kunnen worden herhaald passend bij de specifieke omstandigheden. Die potentie is er absoluut. Die beweging is feitelijk al ingezet in de praktijk, zoals we nu zien in de consortia van corporaties en bouwpartijen die samenwerken via het Verbouwstromen programma. Maar het gaat niet vanzelf. Alleen als corporaties, bouwbedrijven, toeleveranciers én de overheden – lokaal en centraal – samenwerken rond standaardisatie van processen en technieken, kunnen we het tempo gaan maken dat nodig is.’
De juni 2026-editie van Solar & Storage Magazine is uit. Dit nummer staat in het teken van de NEN1010:2020 die in de wet vastgelegd wordt, zonnepanelen op huurwoningen en de druk op het Vlaamse stroomnet.